Bizar, ik werk aan dit bericht in het Bajo-dorp Sampela, een traditioneel dorp bewoond door zeenomaden en vanaf ons balkon zien we op een steenworp afstand het eiland Hoga waar een aflevering van ‘Floortje naar het einde van de wereld’ gemaakt is. Als ik het leven hier in Sampela om me heen hoor en zie, heb ik niet het idee dat dit het einde van de wereld is.

Vanmorgen zijn we met de boot vertrokken uit Tomia. Het is de Wakatobi lijndienst, vertrokken uit Binongko, ons opgepikt in Tomia en gaat ons afzetten in Kaledupa en vaart dan door naar Wangiwangi: de BiToKaWa-lijn. Onderweg worden er kokoskoekies en water uitgedeeld, dat hebben we nog niet eerder meegemaakt. Ons is geadviseerd om de duikschoentjes aan te trekken bij het verlaten van de boot.

De boot heeft te veel diepgang, we worden een paar honderd meter uit de kust overgeheveld in een klein bootje. Van de passagiers zijn wij twee en een derde Indo met donkere zonnebril en hoodie de enige die hier van boord gaan. De rest vaart door naar Wangiwangi. Onze koffers en de tassen van de man worden in het bootje gezet (o.a. een mooie blauwe tas) en dan varen we richting kust. Maar zelfs dit kleine bootje kan niet tot bij de kust komen, de laatste 50 meter moeten lopend naar de kant (vandaar het bootie-advies!).

Imin loopt ons al tegemoet, samen met iemand die zich voorstelt als Daddy (ik leg uit dat er ook een Pappadaddy bestaat, hij moet lachen). Zij pakken de koffers uit de boot en lopen naar de kant waar de auto staat te wachten. Prima geregeld weer allemaal!

We rijden naar het hoogste punt van het eiland waar we worden afgezet voor een korte wandeling naar de familie waar we zullen lunchen. Het is bloedje heet en schaduw is nergens te bekennen. We kijken even bij vrouwen die cassave aan het schillen zijn, moedigen een man aan die een steel aan het snijden is voor zijn bijl, genieten van de prachtige panorama’s die vanaf dit hoge punt hebben en voor we het weten zijn we bij de familie.

Daar zijn de vrouwen druk met de voorbereiding van de lunch. Ze hebben een bananenprak gemaakt die met cassavemeel gemengd wordt tot de dikte die ook gehaktballen hebben; de structuur lijkt er sprekend op, alleen is het wit. Er wordt nog wat suiker aan toegevoegd en dan wordt het als een soort grote burger ingepakt in bananenblad. In een andere kom wordt cassavemeel tot een dikke brei gekneed met ui, geraspte kokos en zout. Hiervan worden frikandellen gedraaid en in bananenblad verpakt. En dan gaan de pakketjes op gloeiend hete stenen, er word grond overheen gegooid en nu mag de hele zaak een klein uurtje garen.

Tombole heet deze manier van voedsel bereiden. We eten het met schelpdieren en geroosterde vis. Als toetje worden er een paar verse kokosnoten uit de boom geplukt.
Na het eten is het tijd om naar het Bajo-dorp Sampela te gaan. Van de dorpen die we gezien hebben is dit het meest traditionele. Er is geen vaste verbinding met het land, er is wel elektriciteit die van het land komt én een waterleiding. Maar die werkt niet omdat de bewoners eigenlijk te lui zijn om hier goed de zaak goed te onderhouden, nu liggen er her en der stukken van de leiding los in het water (bron: Imin). Gevolg is dat de vrouwen dagelijks met hun kano naar het vaste land moeten om per persoon tientallen jerrycans te vullen met zoet water.

Veel huizen liggen hier nog niet met elkaar verbonden, dus om de buren te bezoeken moet je de kano nemen. Ook in dit dorp wil de regering investeren in een vaste verbinding met het land, zoals in een dorp dat aan westkant van Kaledupa ligt al gerealiseerd is. Maar, zegt Imin, de Bajo-cultuur verdwijnt met een verbinding met vaste land. En door de makkelijke toegankelijkheid neemt ook de criminaliteit toe, iets wat daarvoor een onbekend verschijnsel was bij de Bajo-volk. Eigenlijk komt het erop neer dat de regering denkt voor de Bajo en dat diezelfde regering geen zicht heeft op hoe de Bajo leven. Het is in onze ogen een hard leven, maar zeenomaden weten niet anders, zijn gelukkig in hun dorp met de familie, vangen hun zeebuit en verkopen die voor cassave, rijst en ander spul en morgen gaan ze weer vissen. Laat ons met rust!

We krijgen een kamer in een huis toegewezen, er ligt een matras op de grond en daarop twee harige kussens met een rood hartje. ‘They give you the best they have’, zegt Imin.
We snoepen nog even een mango weg en gaan dan weer de boot in, op weg naar de mangrove en een langgerekt meer met brak water. Daar moet gesnorkeld worden! Ik probeer in de tussentijd tevergeefs Zwartkopwielewalen op de foto te krijgen.

Om een uur of half zes zijn we terug, een uurtje later staat er een diner op tafel waar we allen maar van kunnen dromen: schelpdieren, zee-egels, bidsprinkhaankreeften, krab, konijnvis (die bestaat echt!), gevlekte makreel, zeewier en andere groenten en een bak rijst waar je een maand mee toe kunt. En er is nog wat over van de tombole van de lunch. Het is allemaal weer veel te veel, maar wel gruwelijk lekker!

Morgen nemen we de vroege boot (6:00 uur) naar Wangiwangi en reizen vandaar door naar Baubau. Het einde van het Wakatobi-deel is in zicht. We houden u op de hoogte van het vervolg!

























































